Waarom starten niet altijd vlot verloopt

COnneCt geeft haar perspectief op waarom starten in onderwijs niet altijd vlot verloopt.

Een nieuwe motor heeft klassiek het voordeel dat hij vlotjes start. De startmotor en de ontstekingskaars – de ‘bougie’ – zijn nieuw, de brandstoffilters zijn nieuw, de carburator is nieuw en schoon.

Van de starters in de ‘onderwijsmotor’ verwachten het schoolbestuur, de directie, de leerlingen en hun ouders vaak dat ze meteen ‘aanslaan’, dat ze er meteen staan zoals het hoort: met de nodige kennis van vakdidactiek, met de nodige kennis van klasmanagement, met de nodige sociale vaardigheden om zich een weg te banen in het kluwen dat onderwijs heet.

Gunnen we de starters in onderwijs wel voldoende ruimte om te ‘roderen’? Hoe lang moet je ‘roderen’ om ervaren leraar te zijn? 

Test, test?

We blijven even bij de auto. Wie ooit de Ford-testbaan in Lommel bezocht, kon vaststellen dat elk nieuw model er onderworpen wordt aan de meest uiteenlopende tests en weersomstandigheden. Pas als de ingenieurs oordelen dat de auto deze tests met glans had doorstaan, lanceert Ford het nieuwe model. 

Het gaat niet op een startend(e) leraar/onderwijspersoneelslid te vergelijken met een nieuwe motor of een nieuwe auto. En toch houdt de vergelijking een beetje steek!

Het hobbelige parcours dat veel starters in onderwijs doorlopen, of de teleurstellingen die starters er oplopen, kunnen vermeden worden door een uitgebreide en professionele voorbereiding, aangevuld met een praktijkgerichte ondersteuning van een startend(e) leraar/onderwijspersoneelslid. Het is niet onbelangrijk daarin te wijzen op de autonomie van waaruit elk schoolbestuur zijn onderwijsaanbod vorm geeft: schoolculturen zijn in Vlaanderen zo divers! Dat is een rijkdom en het biedt kansen. Men moet er alleen professioneel mee (kunnen) omgaan.

Dixit

Een greep uit de reacties die COnneCt tot hiertoe kreeg, verduidelijkt de nood aan een degelijke  voorbereiding en ondersteuning:

‘Mijn mentor is om begrijpelijke redenen niet altijd bereikbaar: ze heeft zelf ook een lesopdracht.’

‘Scholen zijn zo verschillend. Wat in de ene school wel kan, is not done in een andere. Tijdens elke interimopdracht is het dus opletten geblazen. Je weet namelijk nooit op voorhand waaraan je je moet aanpassen. In de ene school moeten de leerlingen zwijgen in de rijen, in de andere school niet. Hier moeten ze recht staan als de leraar binnenkomt, elders mogen ze rustig blijven zitten. In school x zijn er elke week klassenraden, in de andere is er een klassenraaddag. Invullen van leerlingendossiers is hier een aangelegenheid van de leerlingenbegeleiding, daar van de klasleraar en het lerarenteam. Op de ene plaats word ik geïnformeerd door degene die ik moet vervangen, op de andere plaats geeft de directeur alle info …’

‘Het zal wel lukken, iedereen heeft zijn eigen weg moeten zoeken. Het zal jou dus ook wel lukken.’

‘Gelukkig heb ik een goede ‘peter’ bij wie ik steeds terecht kan met mijn vragen en problemen.’

‘Ik wist niet dat ik geen kopies mocht nemen voor mijn lesvoorbereidingen. Dat zou automatisch doorgerekend worden naar de schoolfactuur van de leerlingen en we moeten daar voorzichtig mee zijn. De schoolkosten mogen niet te hoog oplopen.’

‘De directeur is vaak in vergadering. Als je hem wil spreken, moet je via Smartschool een afspraak maken. Drie weken later had hij een gaatje in zijn agenda.’

‘Ik ga terug naar de privé want men vraagt je van alles en nog wat te doen buiten je lesopdracht. En daarvoor ben ik niet opgeleid.’

‘Ik was ploegbaas in de privé. Ik dacht dat ik een klas in de praktijkateliers op dezelfde manier moest behandelen. Het werkt zo niet, zeker als je nieuwe theorie en praktijk moet afstemmen op elkaar. Mijn geduld geraakt wel eens op.’ 

‘Ik heb moeite met het feit dat de directeur meer geloof hecht aan de woorden van de ouders dan aan mijn verhaal.’

‘Op mijn school werkt ieder voor zich en zijn vak. Overleg is er, maar raak niet aan de klaspraktijk zelf. Daar is iedereen heer en meester. Ik zou nochtans eens graag een les van een collega bijwonen.’

‘Ik ben geen pedagoog, maar ik heb wel verschillende leerlingen met elk hun leerstoornis in mijn klassen. Met de ondersteuning op teamniveau kom je wat verder, maar in de klas moet ik het maar weer doen en dat kost mij (te) veel tijd en energie.’

‘Mijn praktijkervaring in de privé was belangrijk. En toch wil men op school niet weten van de nieuwe werkmethoden die ik voorstel. Het lijkt alsof ze dat zien als een bedreiging.’ 

‘Ik kreeg een lesopdracht in verschillende leerjaren van sociale en technische wetenschappen. Hoe moet ik dat bolwerken? Mijn oudere vakcollega’s hebben veel meer parallelle lesopdrachten.’

‘Ik ben bij de directie moeten komen omdat ik een tattoo heb op mijn arm. Ik moet deze bedekt houden. Zo niet, moet ik gaan. Ik denk dat ik dan maar ga.’

‘In het onderwijs heb je nooit gedaan. In de privé schakelde ik mijn PC uit en de tijd erna was voor mij.’

‘Wat wetenschappers ook zeggen over de leerresultaten in grote groepen, je moet er toch geen tekening bij maken dat je klasmanagement anders verloopt bij 28 leerlingen dan bij 18 leerlingen. En dan zwijgen we nog over de didactische uitrusting en de ruimte die nodig is voor grote groepen. Die is er vaak niet of onvoldoende.’

‘Ik weet voor het zoveelste jaar op rij niet of ik in september opnieuw kan starten. Die onzekerheid knaagt.’

‘Onze nijverheidstechnische school loopt leeg. Met de lerarenploeg doen we er alles aan om de school een nieuw elan te geven, maar de directie wil niet mee. Het heeft geen zin volgens hem: “t Zit in de hoofden van de mensen dat iedereen naar een college moet."’ 

‘Als secretariaatsmedewerker heb ik nood aan vorming rond omgaan met moeilijke leerlingen en hun ouders.’

‘Ik had hoge verwachtingen rond mijn functioneringsgesprek. De directeur overliep alleen de functiebeschrijving en dat was het.’

Uit bovenstaande uitspraken kun je opmaken dat de opstart en het vervolg van iemands onderwijsloopbaan niet altijd rimpelloos verlopen. Wie zijn ze dan, die starters en zij-instromers? Wat doen ze? En wat kunnen wij voor hen doen? 

Opleiding en vorming

Het begint bij de opleiding en vorming van de starters en instromers.

Er is al voldoende inkt gevloeid over de kwaliteiten van onze lerarenopleidingen. Zo stuurde de overheid de opleiding recent aardig bij in functie van kwaliteit. Maar, het blijft in de ogen van veel starters een feit dat de voeling met de echte klaspraktijk vaak ontbreekt bij hun docenten. Schoolculturen en klasculturen zijn hun niet altijd bekend, omdat ze enkel vanuit een specifieke invalshoek – bijvoorbeeld de stage – contact hebben met scholen. Net als bij veel leraren is de (sub)cultuur van bepaalde doelgroepleerlingen hun onbekend.

Is dit een dooddoener? Integendeel, het is een pleidooi voor een lerarenopleiding waarin men theoretische concepten naar de onderwijspraktijk van alledag vertaalt.

COnneCt breekt daarom een lans voor meer voeling met de praktijk en de leefwerelden waarin alle leerlingen leven en bewegen. Het ‘testparcours’ voor een kandidaat-leraar moet representatief zijn wat betreft onze onderwijsrealiteit: naast het vakinhoudelijke moeten alle onderwijsvormen aan bod komen, inclusief de finaliteiten (doorstroom, doorstroom en arbeidsmarktgericht, arbeidsmarktgericht …). En ook de verschillende leerlingenpopulaties moeten het respect krijgen dat ze verdienen, leerstoornissen vragen de nodige aandacht, leren communiceren met ouders is essentieel …

Omdat ‘samen school maken’ voor ons en voor starters belangrijk is, willen we ook opkomen voor een meer participatieve aanpak van onderwijs. Overleg in alle vormen en maten mag niet ontbreken. Denk maar aan overleg van leraren onderling, overleg met leerlingen en hun ouders, overleg over de aansluiting met het hoger onderwijs of de arbeidsmarkt, overleg over hoe de leerlingen hun plaats in de samenleving verwerven … 

In de praktijk laat die participatiegedachte vaak te wensen over. Verstokte onderwijsvisies blijven zo bestaan terwijl starters en zij-instromers wel eens een nieuwe wind willen laten waaien vanuit hun opleiding of vanuit hun ervaring in een andere beroepssector.

Aanwerven = goede intake?

COnneCt stelt vervolgens bij de aanwerving van onderwijspersoneelsleden een aantal werkpunten vast. In de drukte van de opstart van een schooljaar of in de waan van een doordeweekse schooldag – dixit een directeur – is er vaak onvoldoende tijd om iemand wegwijs te maken in de school en al haar gewoonten en gebruiken. Het is mooi als bijvoorbeeld een gezamenlijk infomoment voor starters wordt georganiseerd, maar dit gebeurt alleen in die scholen die  daar expliciet tijd voor willen en kunnen maken.

Wij vernemen alvast dat het gebrek aan een goed intakemoment een gemiste kans is, omdat men zo veel latere vragen en problemen voorkomt. Schoolcontexten verschillen en vragen daarom een gestructureerde aanpak van het onthaal van nieuwe leraren. 

‘Hier zijn de leerplandoelstellingen en de boeken en dit is je lesopdracht’, getuigt van een gebrek aan visie op onthaal. Een leraarvriendelijk beleid start bij een goed onthaal en communicatie rond de schoolspecifieke verwachtingen. En deze laatste verschillen wel degelijk. 

Gewoon is niet goed genoeg

En cours de route struikelen heel wat starters en zij-instromers over de ‘gewenning’ die geruisloos optreedt of binnensluipt. Zowel het schoolbeleid als het schoolteam gaan zogenaamd uit van de evidentie dat het wel gaat, terwijl het vaak niet zo goed gaat met starters.

Schroom om over moeilijkheden in de klaspraktijk en de samenwerking met andere leraren te praten, is een feit. Stil verdriet komt in de plaats. Bij wie vinden starters een klankbord? Familie? Vrienden? Dat is zeer oké, maar professionele begeleiding is nog meer vereist. De mentor? De meter of de peter?

Eén-op-één-gesprekken op regelmatige basis zijn in de bedrijfswereld ‘in’ in functie van het behalen van de bedrijfsdoelstellingen. In het onderwijs verdient zo’n aanpak ook een plaats. Zo voorkomen we uitval, zo voorkomen we uitstroom.

Specifiek voor de (zij-)instromers is een gepaste en continue begeleiding gewenst. Bedrijfsculturen en hun managementgerichte aanpak van personeel zijn erg verschillend van schoolculturen, van de aanpak en begeleiding van leerlingen en van de managementstijl van heel wat schoolleiders. Heel wat (zij-)instromers verwierven tijdens de opstartfase in het onderwijs de nodige bevoegdheidsbewijzen, terwijl ze nog doordrongen zijn van een totaal andere visie op bijvoorbeeld werk en leiding geven. Blutsen en builen kunnen voorkomen worden door een goede voorbereiding, voorafgaand aan de overstap naar onderwijs. Bovendien is en blijft een pedagogische en onderwijskundige setting voor deze groep vaak moeilijk te doorgronden. Ze hebben tijd nodig om te verstaan wat allemaal kan, moet en mag verwacht worden voor een loon of arbeidsvoorwaarden waarover ze ‘in de privé’ al lang aan het discussiëren waren. 

De ene school is de andere niet

Tot slot willen we vanuit COnneCt het belang van het leren kennen van een schoolcultuur benadrukken. Heel wat starters en zij-instromers kennen vaak een school van naam, maar kennen de echte werking ervan niet. Logisch, zou je zeggen, maar dit is het niet voor een starter. 

Elke school heeft een hart voor leerlingen, maar deze liefde vertaalt zich vaak op een heel andere manier. Het lesgeven an sich geniet uiteraard de hoogste prioriteit, maar ook wat betreft leerlingenbegeleiding, remediëring, voor- en naschoolse activiteiten, Erasmusprojecten, vakoverstijgende projecten, acties, festiviteiten … zijn er grote verschillen. 

Elke school verlangt een overeenkomstig engagement. En daar wringt het nogal eens … Voeg daarbij de verschillende manieren van concreet werken en evalueren, de verschillende uitrustingsniveaus, de verschillende manieren van omgaan met diversiteit, zowel bij de leraren als de leerlingen, de verschillende dresscodes, de expliciete en vele impliciete verwachtingen … Je moet het je allemaal maar eigen maken, soms op verschillende scholen tegelijk!

Tot slot

Als we even mogen terugkeren naar het beeld van de testbaan van Ford-Lommel, dan kunnen we alleen maar besluiten dat een starter of een zij-instromer nooit genoeg voorbereid en ‘uitgetest’ kan beginnen aan haar of zijn onderwijsloopbaan. Dat hoeft niet vreemd te zijn. Een arts (huisarts of specialist) in opleiding loopt jaren parallel met een door de wol geverfde arts. Advocaten kennen hun stages bij hun stagemeester, net als architecten en nog heel wat andere beroepscategorieën. 

Is er geen stage, dan zie je in heel wat andere sectoren dat er een opleidingsverantwoordelijke of een coach klaar staat voor een nieuwkomer. 

Toegegeven, het is niet overal kommer en kwel, maar de onderwijsrealiteit is nu op heel wat plaatsen wat ze is. En daarom moeten we er iets aan doen. Het onderwijs kan zich niet permitteren te zweren bij het status quo. Daarvoor verandert de maatschappelijke testbaan veel te snel en te ingrijpend. 

Kwalitatieve vorming staat voor ons voorop. Maar, de voorwaarden waarin je die moet realiseren, zijn voor een starter bepalend om enthousiast actief te blijven in ons onderwijs!

Heb je een vraag voor COnneCt of nood aan een gesprek? Neem contact op!
Knop COnneCt-chat

Personalization

Je webbrowser is verouderd en wordt niet ondersteund door de ACV-website. Klik hier om een nieuwere versie te installeren.