Schrik voor de beroepscommissie?

Heel wat onderwijspersoneelsleden uiten hun angst voor beroepscommissies. COnneCt gaat hier dieper op in en probeert die angst te relativeren.

In Brandpunt 8 beschrijft Mark Van De Voorde dat angst een slechte raadgever is, maar een goede seingever. Nu het einde van een toch wel bijzonder schooljaar nadert, steekt de angst voor beroepscommissies bij heel wat leraren en directies de kop op: wat is in deze omstandigheden een correcte deliberatie? Hoe kunnen ze het niet slagen of zelfs het verlies van een aantal jongeren voorkomen?

Tijdens de ondersteuning door COnneCt uiten heel wat onderwijspersoneelsleden deze zorg. Is dat nodig?

Mondige leerlingen en hun mondige ouders

Leerlingen en hun ouders zijn mondig geworden. Vanuit het standpunt van onderwijsparticipatie kunnen we dat alleen maar toejuichen. Het is goed dat iedereen in het ‘samen school maken’ haar of zijn bezorgdheden kan uiten binnen de wettelijke inspraakorganen. 

Ook uit de dagelijkse communicatie tussen het schoolteam, de leerlingen en hun ouders moet blijken dat ze elkaars bezorgdheden en bedoelingen ernstig nemen en dat ze dat tonen in de manier van communiceren.

Elke ouder en elke ervaren leraar weet dat achter de façade van een boze, soms impulsieve uitlating van een leerling of een ouder vaak een terechte bekommernis, een gevoel van onmacht of een vraag naar compensatie voor scheefgegroeide situaties schuilgaat. Nochtans worden de mondigheid van leerlingen en hun ouders vaak zo niet begrepen. Onderwijspersoneel is die zogenaamde, in hun ogen vaak ongefundeerde, bemoeienissen liever kwijt dan rijk. Voor pedagogen zijn ze dan weer een teken dat men hoge verwachtingen koestert ten opzichte van iemand die men respecteert, ja, van iemand van wie men houdt, de leraar. 

Zeker als binnenkort attesten in vraag gesteld worden, zijn onderwijspersoneelsleden erg op hun hoede. Ze voelen zich geviseerd en gecontroleerd. Ze voelen zich verplicht tot een gedetailleerde opvolging van leerlingvolgdossiers. Onderwijsjuristen zagen hierin eerder al hun voordeel en bieden nu zeker graag en uitgebreid hun diensten aan. 

Essentie

Als je nadenkt over de kern van het probleem van de juridisering van het onderwijs, kom je noodgedwongen uit bij de essentie: het recht op kwaliteitsvol onderwijs. Dat moet leerlingen toelaten ‘om op een kritische en creatieve wijze te kunnen participeren aan de samenleving van de toekomst’. 

Laat ons even de vergelijking maken met de gezondheidszorg. Recht op gezondheid en een goede gezondheidszorg is elementair. Patiënten deden in een recent verleden via allerlei inspraakinitiatieven hun inbreng, zodat onze gezondheidszorg werd georganiseerd zoals ze nu is: van de ombudsdienst tot patiëntenbegeleiding, van de manier van onthalen tot inzage in het persoonlijk medisch dossier … het zijn verworvenheden in kwaliteitszorg waarvan niemand meer opkijkt. Zo bevorderen medische teams ons vertrouwen in de kwaliteit en de continuïteit in aangepaste zorg.

Sommige van die evidenties in kwaliteit zijn er in het onderwijs nog niet. Feiten en gebeurtenissen zoals een beroepscommissie maken soms pijnlijk duidelijk waar het fout ging of … tonen ontegensprekelijk aan dat de leraar het onderwijsleerproces net goed aanpakte. 

Passende maatregelen moeten op passende momenten worden getroffen, de juiste aanpak van de organisatie van het onderwijsaanbod is een recht. Zo niet, verliezen we te veel jongeren. 
Zo maakt het decreet leerlingenbegeleiding duidelijk dat het zorgbeleid van heel wat scholen nog meer gestroomlijnd moet worden. Formeel voldoen aan de vereisten is de eerste stap, er concreet mee aan de slag gaan, is een ontzettend belangrijke volgende stap. 

Als een beroepscommissie duidelijk maakt dat relevante gegevens (bijvoorbeeld met betrekking tot procedure, evaluatiegegevens of psychosociale aspecten) in de deliberatie over het hoofd werden gezien, als een beroepscommissie het gebrek aan gedragenheid van het zorgbeleid aantoont, is er werk aan de winkel. 

De beroepscommissie kan ook aantonen dat de ‘gestelde diagnose’ leidde tot het voor de leerling gepaste en voor de leraren haalbare zorgtraject, de communicatie daarover met de leerling en zijn ouders inbegrepen. Het toegekende attest is dan verantwoord en is geen verrassing omdat de  school de leerling en zijn ouders op voorhand (inschrijfmoment, startvergadering) informeerde over het zorgbeleid van de school én de verantwoordelijkheid die ze hierin samen met de ouders dragen. De samenstelling van de beroepscommissie moét de garantie bieden dat men hierover in alle objectiviteit oordeelt.

Dossiers met een grote D

Veel leraren melden tijdens hun ondersteuning door COnneCt hun bezorgdheid over leerlingen en hun ouders die beroep aantekenen, al of niet met de hulp van een onderwijsadvocaat. Vanuit die vrees hebben ze de neiging om zich te verliezen in het bijhouden van een uitgebreid, maar dan ook heel uitgebreid leerlingendossier. Zo ‘dekken ze zich in’. Zo hebben ze controle. De taakbelasting wordt daarmee vergroot, hun beroepseer krijgt een deuk. 

Nochtans ligt het aantal beroepscommissies zeer laag en moeten ze geen bewijs leveren om het bewijs. Als professional moeten ze gewoon goed werk leveren opdat leerlingen er beter van worden.

Mark Van De Voorde pleit niet voor niets om angst met redelijkheid in de ogen te kijken: met rede en met mate. Toegepast op de angst voor beroepscommissies betekent dat dat je, weliswaar bewust van bepaalde risico’s, gewoon moet doorgaan met het aanbieden van kwaliteitsonderwijs.

Professionals garanderen kwaliteit

We moeten ervan uitgaan dat een professional of een vakexpert het best geplaatst is om een onderwijsvraag te beoordelen. Weet hij het antwoord niet, dan getuigt het eveneens van professionaliteit dat hij het gebrek aan kennis onderkent en op zoek gaat naar een antwoord binnen zijn vakgebied en eventueel elders. Zo biedt hij optimale kansen voor kennisoverdracht of -uitwisseling. 

De hamvraag op het einde van een leerjaar of een graad, namelijk of een leerling voldaan heeft voor het geheel van de vorming en of de leerling in staat wordt geacht over te gaan naar een volgend leerjaar, het hoger onderwijs of de arbeidsmarkt, houdt impliciet in dat alles op alles moet gezet zijn om die overgang mogelijk te maken, ongeacht de persoonlijkheid en de afkomst van de leerling.  

Bij die laatste aspecten staan leraren telkens voor een uitdaging. Het vraagt bijvoorbeeld inlevingsvermogen in de leefwereld en de cultuur van alle kinderen, jongeren en hun ouders, bij uitstek de kwetsbaren. De daarbij aansluitende aanpak moet respectvol en kansrijk zijn, zodat leraren maximale ontplooiingskansen kunnen bieden. 

De beroepscommissie

Als ouders of een onderwijsjurist via de beroepscommissie kunnen wijzen op procedurefouten in het leer- en evaluatieproces, is het normaal dat dat rechtgezet wordt. Nalatigheden in de te verstrekken zorg moeten eveneens vermeden worden. Net hier knelt vaak het schoentje. Zorg is niet steeds gedeeld of gedragen door het voltallige lerarenteam, omdat men bijvoorbeeld de verantwoordelijkheid exclusief bij de klasleraar, de leerlingenbegeleiding of het CLB legt. Hoe lijvig een dossier van een leerling ook is, als de zorgvraag niet over de hele lijn wordt toegepast, slaat men de bal mis. Onvoldoende eindresultaten brengen dit euvel vaak aan de oppervlakte. 

Tot slot

De leerling en zijn ouders hebben een grote verantwoordelijkheid in het leerproces: studeren en betrokken zijn, monden meestal uit in succes. Het is de taak van leraren dat leerproces te ondersteunen, zodat de leerling uit zich haalt wat in hem zit. 

Vanuit de ervaringen van COnneCt durven wij, net als Mark Van De Voorde, pleiten voor beveiligde moed: risico’s kan je als leraar nooit uitschakelen, maar de vrees voor de juridisering van onderwijs maakt de essentie van onze onderwijsopdracht duidelijk: kwaliteitsvol onderwijs aanbieden, zodat we jongeren niet verliezen voor de samenleving van de toekomst. 

De coronacrisis maakt het de leraren niet gemakkelijk om samen school te maken. De leraren maken noodgedwongen een ommezwaai in hun manier van werken. En dat dwingt respect af. Evaluatie, deliberatie en eventuele beroepscommissies zullen bevestigen wat goed liep, maar zullen eveneens aan het licht brengen waar het fout liep. Angst is dus een goede seingever, roept op om alert te zijn voor de hiaten in het geheel. Een goed onderbouwd, maar niet per se lijvig leerlingvolgdossier is een zaligheid, ook tijdens het gesprek met de beroepscommissie. Als leraren daarbovenop aantonen dat ze tijdens het onderwijsproces zoveel mogelijk risico’s trachten in te schatten om ze vervolgens te voorkomen en er transparant over te communiceren, wekt dit alleen maar vertrouwen. Het huidige zeer beperkte aantal beroepscommissies zal dan zeer beperkt blijven. 

  

Personalization

Je webbrowser is verouderd en wordt niet ondersteund door de ACV-website. Klik hier om een nieuwere versie te installeren.