Leersteun moet echte steun zijn in klas en school

De conceptnota Leersteun werd door de Vlaamse regering goedgekeurd. Nu moeten de krijtlijnen die erin staan concreet ingevuld worden. De verwachtingen zijn hoog gespannen. Schoolteams verwachten daadkrachtige ingrepen die het werk op de klasvloer werkbaarder zullen maken. Het COV ziet een aantal goede aanzetten die tegelijkertijd ook nog heel wat vragen en zorgen oproepen. 

1. Er komt een ambt voor de ondersteuner. Daar heeft het COV vijf jaar lang op aangestuurd. Eindelijk zal nu duidelijk worden wat deze specifieke functie inhoudt en wie de ondersteuners aanstuurt. We zullen kunnen onderhandelen over hun prestatieregeling en hun vergoeding van verplaatsingen. Ondersteuners zullen bij hun leidinggevende terecht kunnen voor praktische afspraken zoals werkmateriaal en het maken van kopieën.  Een hele vooruitgang. Maar tegelijkertijd bevat de nota een aantal voorstellen die ook in het werk van de ondersteuner voor verschuivingen zullen zorgen: 

  • Er zullen minder centra zijn waaraan ondersteuners verbonden worden. Wat betekent dat dan voor de verplaatsingen van die ondersteuner? Het is onze zorg dat het werk van dit personeelslid zoveel mogelijk ten goede komt van de kinderen en de schoolteams. Te verre verplaatsingen zorgen voor een tijdverlies dat moet vermeden worden. 
  • De minister wil de ondersteuning ook op een andere manier bepalen. Meer gericht op leerlingen met een bijzondere zorgnood en minder op de scholen die nood hebben aan brede, minder specifieke ondersteuning. Dat zal voor een verschuiving van de tewerkstelling zorgen. Hoe dat zal gebeuren en wat dat zal betekenen voor de opdracht van de ondersteuner is nog onduidelijk.

2. Ondersteuningsnetwerken worden leersteuncentra. Niet alleen de naam verandert, ook het aantal, de samenstelling, de werking en de opdracht. Een goede zaak. Het COV heeft altijd gepleit voor een goede thuishaven voor de ondersteuners. Op die manier krijgen we centra met een directeur die zijn ploeg op een transparante manier kan aansturen. Maar:

  • Zullen de middelen volstaan voor het inrichten en goed laten functioneren van deze centra? 
3. Het buitengewoon onderwijs (BuO) wordt eindelijk niet meer beschouwd als iets dat moet afgebouwd worden, maar krijgt een volwaardige plaats én een toekomstvisie. Ook dat heeft het COV altijd nagestreefd. Niet alle kinderen zullen altijd in om het even welke school terecht kunnen. Buitengewoon onderwijs blijft broodnodig. Daarnaast zijn het ook expertise centra. Die kennis mag niet verloren gaan. Daarom is het COV ook tevreden met de intentie om buitengewoon en gewoon basisonderwijs beter te doen samenwerken. Maar:

 

  • Tegelijkertijd zijn er alweer zorgen om de middelen. Zal het BuO nu ook op een betere omkadering kunnen rekenen om zijn rol waar te maken? De afgelopen jaren zijn het vooral leerlingen met zware zorgnoden die naar het BuO komen. Dat heeft de opdracht van het personeel daar een pak verzwaard. 
  • Heeft het BuO voldoende middelen en omkadering om zijn rol als centrum voor expertisedeling op te nemen en om ondersteuners en scholen gewoon onderwijs te adviseren?

4. De conceptnota ziet veel heil in een goede professionalisering van het personeel in het basisonderwijs. Ook wij vinden het super belangrijk dat onderwijspersoneel zijn loopbaan lang blijft leren. Toch hebben we grote zorgen over dit professionaliseringsbeleid:

  • Op dit moment krijgt een voltijdse leerkracht 70 euro per schooljaar om zich bij te scholen. Met dat bedrag kom je niet ver!
  • Niet alleen geld is belangrijk. Ook de tijd die je hebt om het professionaliseringstraject dat je volgde, individueel of collectief, in praktijk om te zetten. Die tijd hebben de leerkrachten op dit moment niet. Ze werken tussen de 40 à 50 uur per dag en overleggen tussen de middag, tijdens de speeltijden of heel informeel als ze mekaar tegenkomen in de gang. Het COV vraagt dat overlegtijd structureel wordt ingebouwd in de opdracht van de leraar, net zoals dat nu in het buitengewoon onderwijs het geval is. 

5. De minister wil veel vertrouwen geven aan de leraren. Terecht. Zij zijn de professionals. Zij kennen “hun” kinderen door en door en weten wat ze nodig hebben. Zij geven mee vorm aan het zorgbeleid op hun school. Maar:

  • Een goed zorgbeleid toepassen vraagt continu overleg over je aanpak in de klas, over het begeleiden en ondersteunen van bepaalde leerlingen, over de visie van de school. Opnieuw: leraren hebben op dit moment geen tijd om gestructureerd overleg te voeren met elkaar en met externen. Het COV vraagt dat overlegtijd structureel wordt ingebouwd in de opdracht van de leraar, net zoals dat nu in het buitengewoon onderwijs het geval is. 

6. Er komen geen extra middelen bij. Wel gebeurt er een verschuiving van middelen. Het COV wil heel transparant in kaart gebracht zien wat er juist zal gebeuren op het vlak van financiering en wat daarvan de gevolgen zullen zijn. Waar zullen scholen recht op hebben? Hoe wordt hun ondersteuning juist berekend? Hoeveel en welke kinderen zullen er mee tellen bij de berekening van ondersteuning? Wat als er grote verschuivingen binnen de leersteuncentra moeten gebeuren? Wat met personeelsverschuivingen?

Leersteun moet een echte steun zijn voor kinderen en leraren in de school, in hun klas. Alleen in een goed georganiseerde klas met een leraar die goed ondersteund wordt, kunnen leerlingen echt goed leren. En dat is toch het echte doel van dit decreet.

Personalization