Is afstandsleren wel zo nieuw?

COC stelt zich ernstige vragen bij scholen die afstandsonderwijs nu onmiddellijk systematisch willen inbouwen in het lessenrooster, wanneer de coronacrisis hen daartoe niet dwingt. Wat verstaan die scholen precies onder afstandsonderwijs? Wat is de meerwaarde ervan? En waarom zouden scholen het aantal contacturen willen terugschroeven?

COC begrijpt dat scholen zich al hadden voorbereid op afstandsonderwijs, aangezien begin juli werd  verkondigd dat bij code geel maar vier dagen per week op school lesgegeven zou worden. Een aantal scholen vragen echter om structureel afstandsonderwijs te mogen invoeren. COC vraagt zich af hoe die  scholen dat concreet zien. Moeten de leerlingen op een vast moment allemaal samen van thuis uit de les volgen, zoals bij Bednet (synchroon afstandsonderwijs)? Waar zit de pedagogisch-didactische  meerwaarde van die organisatievorm? Waarom zou een school leerlingen allemaal op hetzelfde moment thuis achter een computer willen zetten, terwijl sommigen misschien geen eigen kamer hebben, het  internet te traag is en de hond er rondloopt? En is het zo dat wie lessen online volgt, meer leert dan in de klas? Dat vandaag nog niet alle leerlingen met een tablet naar school gaan, is niet alleen een  middelenverhaal.

Of kunnen de leerlingen zelf bepalen wanneer ze aan welke opdracht werken (asynchroon afstandsonderwijs)? Die organisatievorm is helemaal niet nieuw. Naast de 32 tot 36 lestijden per week moeten leerlingen namelijk al sinds mensenheugenis ook nog thuis leren en werken voor school. Voor de coronacrisis moest de leerling dat werk ’s avonds na schooltijd, op woensdagnamiddag of tijdens het weekend doen. Dat noemde men voor de coronacrisis huiswerk. Ook het zelfstandig verwerken van leerplandoelen hoorde daarbij en er werd al gewerkt met een computer en internet. Het resultaat van asynchroon afstandsonderwijs zou zijn dat leerlingen (minstens) vier lesuren minder contactonderwijs

hebben. Wat is de pedagogisch-didactische meerwaarde daarvan?

Voor COC blijft collectief vormend onderwijs de basis voor kwalitatief onderwijs. Vanwege de veiligheid  kon dat de voorbije maanden niet altijd en ook bij code oranje zal dat vanaf het secundair onderwijs maar deels mogelijk zijn. Maar om deze situatie nu aan te grijpen om weinig doordacht het hele  organisatiemodel van ons onderwijs overhoop te halen, dat is voor COC een brug te ver. Op gevaar af weer voor ‘oubollig’ versleten te worden - maar dat nemen we er graag bij voor de goede zaak – stelt  COC dan ook ernstige vragen bij dit alles. Verhogen minder contacturen en minder rechtstreekse instructie echt de onderwijskwaliteit? In veel tso- en bso-scholen is het aantal contacturen de voorbije  jaren al verminderd van 36 uur naar 34 of 32. Die leerlingen kregen zo dus meer vrije tijd om aan ‘afstandsleren’ te doen. Is dat ook gebeurd? Laten we bovendien niet vergeten dat ons onderwijs hoog  scoort. Dat heeft ongetwijfeld ook te maken met het korte afstandsonderwijs: dat van in de klas.

Het is positief dat minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) beaamt dat er rond afstandsonderwijs een akkoord in het lokaal onderhandelingscomité moet zijn, dat het afstandsleren maximaal één dag per week mogelijk is, dat het nodige materiaal aanwezig moet zijn én dat de school alle deelnemende leerlingen moet kunnen bereiken. Maar voor COC ontbreekt een decretaal kader voorafgegaan door een grondig debat. Schoolgebouwen bijvoorbeeld moeten terecht voldoen aan wettelijke normen rond bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne. Wat als de slaapkamer van de leerling de lesplaats wordt? En om voor subsidiëring in aanmerking te komen, moet de leerling erkend zijn als ‘regelmatige leerling’. Is er nog sprake van een regelmatige leerling wanneer die systematisch een dag per week niet naar school komt? Garandeert de overheid het behoud van de huidige middelen of schuilen onder afstandsonderwijs nieuwe besparingen? Moet afstandsonderwijs gebeuren op vastgelegde tijdstippen of volstaat een resultaatsverbintenis? Gebeurt de evaluatie dan ook op afstand? Moet het schoolreglement dan niet worden aangepast? Is het nodige materiaal beschikbaar? COC stelt voor om eerst het vorige schooljaar te evalueren. Toen was iedereen het erover eens dat leerlingen snel moesten kunnen terugkeren naar de klas.

Ja, leerlingen moeten digitaal en zelfstandig leren werken. Ja, leerlingen moeten verantwoordelijkheid  leren dragen voor hun eigen leerproces. Ja, technologie heeft een meerwaarde voor onderwijs. Maar eerst is een (decretaal) kader nodig op basis van wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van  afstandsonderwijs. COC roept het onderwijsveld dan ook op om weldoordacht op zoek te gaan naar de eventuele meerwaarde ervan (dat kan ook via een proeftuin), die meerwaarde duidelijk te expliciteren  en daarna eventueel structureel en decretaal te verankeren. Pas dan kunnen we overgaan tot een nieuw normaal. De digitale evolutie kan ons helpen en verbeteren, maar daarvoor is er eerst een goede visie  nodig en dan een plan met de nodige competenties. Alle randvoorwaarden – inclusief de middelen – moeten vervuld zijn. Bovendien kunnen die digitale middelen ook worden ingezet in de klas, als middel  en niet als doel.

Ten gronde moeten we ons misschien eerst de vraag stellen of we écht denken dat leerlingen slimmer worden door minder naar school, een fysieke plek waar ze het recht krijgen om samen te leren, te gaan. Want laten we dat sociaal proces niet doen ondersneeuwen! Ja, zelfs studenten uit het hoger onderwijs hebben er last van.

Beluister de toelichting van secretaris-generaal Koen Van Kerkhoven in het Radio 1-journaal:

Personalization