Werknemersbescherming op de schop
Werknemersbescherming op de schop
Auteur: Piet Van Den Bergh
Maart 2026
Arbeidsrecht beoogt de zwakkere partij in de arbeidsrelatie te beschermen, de werknemer. Minister Clarinval dient in het parlement een wetsontwerp in dat het omgekeerde doet: het zwakt de werknemersbescherming fundamenteel af. Bovendien ondermijnt hij ook de handhaving van de resterende bescherming, onder meer door de controlemogelijkheden voor de inspectiediensten af te bouwen.
Het verbod op nachtarbeid wil minister Clarinval afschaffen, hoewel onomstotelijk bewezen is dat nachtarbeid schadelijk is voor de gezondheid van de werknemers, met onder meer een verhoogd risico op kanker. Vandaag bestaan op het verbod op nachtarbeid reeds een ruim gamma aan uitzonderingen zodat, waar aangewezen en mits compensaties verkregen via het sociaal overleg, er ’s nachts wel gewerkt kan worden. Maar zowel het overleg dat moet plaatsvinden als de compensaties voor de werknemers zijn een doorn in het oog voor de minister. In de meest ruim gedefinieerde distributiesector krijgen nieuwe werknemers voortaan geen premies meer tot 11 uur ’s avonds. Gelukkig herinnerde de Raad van State de minister aan de minimumbescherming voorzien door de Internationale Arbeidsorganisatie, of hij had er nog een uur afgepitst.
Ten tweede slaat het wetsontwerp de bodem uit de bescherming van de deeltijdse werknemers. Tot op vandaag moet een deeltijdse arbeidsovereenkomst minstens bijna 13 uur per week bedragen om de werknemers werkzekerheid te garanderen. Ook hierop bestaan vandaag al een rist uitzonderingen, met geen enkele gekende vraag aan werkgeverszijde om meer categorieën uit te sluiten. Het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen merkt in een scherp advies op het wetsontwerp terecht op dat meer dan 1/3de van de deeltijdse werknemers vrouwen zijn. Vrouwen zullen dus opnieuw de eerste slachtoffers zijn van deze onzinnige maatregel.
Zuiver mathematisch blijven nulurencontracten, die na de publieke verontwaardiging over de zware misbruiken ermee recent zowel in het Verenigd Koninkrijk als in Nederland werden verboden, in België onmogelijk. In de praktijk zullen oproepcontracten in bepaalde sectoren, net zoals in het Verenigd Koninkrijk en Nederland, toch opduiken. Met een gewaarborgd minimumloon van 215 euro per maand (1/10de van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen), heeft een werknemer geen andere keuze dan onmiddellijk alles te laten vallen, en ook ’s nachts en in het weekend te gaan werken als de sms of het appje van de baas daarom vraagt.
Tegelijk bouwt de regering onze sociale zekerheid steeds meer op rond voltijdse jobs, waardoor mensen in precaire jobs minder rechten opbouwen. Uiteraard staat het een werknemer (in het beste geval) vrij om meerdere contracten te sluiten, wat pakweg George uit de logistieke sector door 3 contracten te sluiten met 3 verschillende werkgevers, een gewaarborgd loon van 645 euro (bruto) per maand zal opleveren. Per maand, voor 3 contracten bij 3 verschillende werkgevers samen. Wanneer het druk is bij één van zijn werkgevers die hem oproept, is de kans reëel dat ook zijn andere werkgevers uit dezelfde sector dat zullen doen. En omgekeerd, wanneer er weinig werk is bij de ene, zal dat bij de andere werkgever vaak ook zo zijn.
Ook het Federale Mensenrechteninstituut maakt in zijn advies de analyse dat het wetsontwerp het recht op sociale zekerheid en het recht om binnen een redelijke termijn op de hoogte te worden gebracht van de werktijden, ondermijnt. Inderdaad, werknemers die vandaag in reguliere jobs werken, zullen hierdoor in armoede en grote onzekerheid terechtkomen.
