Opleiding mag geen luxe zijn voor kmo-werknemers
Opleiding mag geen luxe zijn voor kmo-werknemers
Auteur: Sam Coomans
Juni 2026
Kmo’s zijn de ruggengraat van onze economie. Toch hangen opleiding en loopbaanontwikkeling er voor veel werknemers nog te vaak af van goodwill, toeval of een gaatje in de planning. Uit een recente ACV-bevraging blijkt dat amper 22 procent van de kmo-werknemers in een onderneming met een opleidingsplan werkt, tegenover 41 procent gemiddeld. Slechts een kwart zegt dat de werkgever opleiding actief stimuleert. Ook ander onderzoek1 bevestigt die kloof: werknemers in organisaties met minder dan twintig werknemers krijgen minder vaak opleidingskansen dan collega’s in grotere organisaties. In de kleinste organisaties biedt bijna een derde zelfs helemaal geen opleiding aan.
Die achterstand is niet altijd een kwestie van onwil. Kleine werkgevers missen de HR-capaciteit, de schaalvoordelen of de tijd om werknemers vrij te roosteren. De grootste drempel is dan ook niet de opleidingsfactuur, maar de organisatie van het leren zelf: leernoden detecteren, tijd vrijmaken, vervanging regelen, een passend aanbod vinden. En daar loopt het vaak mis. Nochtans hebben werknemers in kmo’s evenveel nood aan bijscholing en loopbaanperspectief als werknemers elders - zeker nu technologie en veranderende verwachtingen hun werk steeds sneller hertekenen.Dat is niet alleen een probleem voor werknemers. De recente Ondernemingsenquête van de SERV toont dat ondernemingen die opleiding voorzien en regelmatiger ontwikkelingsgesprekken voeren, ook vaker lijken te groeien. Toch vergroot het federale beleid de opleidingskloof eerder dan ze te dichten. In organisaties vanaf twintig werknemers geldt een individueel opleidingsrecht van vijf dagen per jaar; tussen tien en twintig werknemers blijft dat beperkt tot één dag en voor micro-ondernemingen bestaat er zelfs helemaal geen recht, tenzij de sector afspraken maakt, zoals bij de bedienden. Ook een formeel opleidingsplan is pas verplicht vanaf twintig werknemers. Zo zijn de rechten net het kleinst waar de spontane opleidingskansen het zwakst zijn.
Hefboom
Ook Vlaanderen vangt die kloof onvoldoende op. De kmo-portefeuille verlaagt de kostprijs van opleidingen, maar neemt de organisatorische drempels niet weg. ’Kmo’s hebben vooral ondersteuning nodig bij competentiebeleid, opleidingsplanning en kwaliteitsvol werkplekleren om te kunnen bouwen aan een warmer leerklimaat. Net de instrumenten die daarbij konden helpen – de adviespijler van de kmo-portefeuille en de competentiechecks – werden geschrapt. Nochtans schrijft het Vlaamse regeerakkoord zelf een opleidingsoffensief en een “kmo-reflex” in. De resterende middelen van de kmo-portefeuille moeten daarom gerichter en aanvullender worden ingezet: niet voor opleidingen die sowieso zouden plaatsvinden of prijsstijgingen voeden, maar als hefboom voor duurzaam leerbeleid waar de nood het hoogst is.
Een echt kmo-opleidingsoffensief rust dus op drie sporen. Ten eerste moet het individueel opleidingsrecht stapsgewijs worden uitgebreid naar alle werknemers, ook in micro-ondernemingen, met recht op duidelijke informatie en een periodiek gesprek over leernoden en toekomstperspectief. Waar formeel sociaal overleg ontbreekt, zijn zulke garanties des te belangrijker.
Ten tweede moeten werknemers hun rechten ook echt kunnen opnemen. Leren mag niet boven op de werkdruk komen of naar de privétijd worden doorgeschoven. Maak daarom het Vlaams opleidingsverlof beter toegankelijk voor kmo-werknemers. Werkplekleren en informeel leren verdienen erkenning, maar mogen nooit een excuus zijn om geen echte opleidingstijd te geven.
Collectieve ondersteuning
Ten derde is collectieve ondersteuning nodig. Wat één kleine onderneming moeilijk alleen kan dragen, lukt wel via sectorfondsen, leercoaches en samenwerkingsverbanden die leernoden helpen detecteren, opleidingen vinden, begeleiding op de werkvloer organiseren en werknemers betrekken bij veranderingen die hun job rechtstreeks raken. De prioriteit moet daarbij liggen bij organisaties met de grootste afstand tot leren.
De keuze is dus niet tussen kmo’s ontzien of werknemers rechten geven. Werknemers hebben recht op dezelfde ontwikkelingskansen als iedereen en kmo’s verdienen de ondersteuning om die kansen ook waar te maken. Wie werkt in een kleine onderneming mag nooit minder recht hebben op een werkbare job en een loopbaantoekomst.
