Eerst geen loonsverhoging, nu ook geen index?
Eerst geen loonsverhoging, nu ook geen index?
Auteur: Ann Vermorgen & Marie-Hélène Ska
Januari 2026
Werken moet lonen. Dat is het mantra dat telkens opnieuw wordt bovengehaald door deze regering. Het is dan ook bijzonder cynisch dat – wanneer men nog maar eens de lonen voor twee jaar geblokkeerd heeft – men alsnog een deel van de index komt afnemen. Tot twee keer toe zelfs. De vraag is dus: als werken moet lonen, voor wie dan precies?
In het begrotingsakkoord van de regering werd beslist om een dubbele partiële indexsprong in te voeren, vanaf 1 april 2026 en opnieuw vanaf 1 januari 2028. Voor lonen boven 4.000 euro bruto en sociale uitkeringen boven 2.000 euro wordt 2% van de indexering boven deze grensbedragen ingehouden. Dat is niets minder dan het laten dalen van de koopkracht van een hele reeks werknemers en uitkeringsgerechtigden.
Een werknemer met een loon van 5.000 euro bruto verliest in 2027 al 20 euro per maand, en opnieuw in 2028. Voor een gepensioneerde met 2.500 euro bruto gaat het om 10 euro per maand. Kleine bedragen? Op jaarbasis en voor honderdduizenden mensen is dit een forse besparing. Én met een impact die ze voor de rest van hun loopbaan – en gelet op de afgeleide sociale rechten – hun leven zullen meedragen.
En waarom precies? Een indexsprong ontneemt niet alleen werknemers hun koopkracht, maar kost de overheid handenvol geld door de gemiste inkomsten in belastingen en bijdragen. Het lijkt dan ook vooral een cadeau richting ondernemingen, die dus opnieuw een voordeel toegeworpen krijgen. Zelfs met een nieuwe loonmatigingsbijdrage doen ze sterk hun voordeel, ten koste van hun werknemers.
Al zijn niet alle werknemers gelijk. Alternatieve voordelen – zoals bonussen en cheques – blijven buiten schot. Dit treft de groep die afhankelijk is van brutoloonrelatief meer: ambtenaren en werknemers met middeninkomen zonder veel franjes. In plaats van haar inkomstenmodel te versterken, geeft de regering nog maar eens een luide boodschap om mensen vooral niet uit te betalen in loon.
De regering kan zich mogelijk wel rijk rekenen door de uitkeringen te beperken. Gepensioneerden, zieken en werklozen van wie ook al vijf jaar aan welvaartsaanpassingen zijn afgepakt, mogen nu nog eens bijdragen om hun uitkering relatief te zien dalen. De armoedegrens of gezinssituatie waren blijkbaar een nagedachte, want ook de gezinspensioenen of de minimale arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor werknemers met gezinslast zijn niet gespaard. Uitkeringen die overigens al ver onder de armoedegrens voor gezinnen liggen vandaag. Bijna 250.000 gezinspensioenen, vaak van zeer oude gepensioneerden, worden geraakt.
De index is een fundament van onze sociale bescherming. De index garandeert net dat lonen en uitkeringen de levensduurte volgen.
Door hieraan te morrelen, kiest de regering voor een structurele besparing op de inkomens van werknemers en gepensioneerden.
En niet alleen dat, de regering stelt zich – nogmaals – volledig in de plaats van de sociale partners door de loonvorming zelf te dirigeren, volledig op werkgeversmaat, recht tegen conventie 98 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) in. Werkgevers die zogezegd vrije onderhandelingen zonder index propageren, maar wel al staan pleiten om zowel een 0-loonnorm te behouden, maar ook eventuele marge uit de indexmaatregel te neutraliseren bij volgende onderhandelingen.
Maar laat ons duidelijk zijn: de index, die is van ons.
