3-10-2026
KU Leuven onderzoek
Leuven, 3 oktober 2026
Nieuwe technologie in Belgische industrie verhoogt efficiëntie maar ook stress op de werkvloer.
Nieuwe technologie wordt vaak voorgesteld als de oplossing voor de uitdagingen van de Belgische industrie. Robots en artificiële intelligentie zouden productiviteit verhogen, werk verlichten en ondernemingen competitief en klimaatneutraal maken. Nieuw onderzoek van KU Leuven bij meer dan 2.800 werknemers uit de Belgische metaal- en textielindustrie toont dat technologie werknemers inderdaad productiever maakt, maar tegelijk leidt tot meer werkdruk, stress en ongelijkheid.
Hoe ervaren werknemers technologie op de werkvloer, dat onderzocht de studie van het Centrum voor Sociologisch Onderzoek. Veel werknemers vinden dat technologie hun werk verbetert, maar niet noodzakelijk aangenamer maakt. Ze rapporteren meer werkdruk, meer stress, toegenomen complexiteit en een groter aantal taken. Vooral digitale toepassingen die werknemers moeten ondersteunen, zoals informatie- en communicatiesystemen, gaan geregeld gepaard met een hogere belasting.
“Technologie is niet vanzelf goed of slecht voor werknemers. De manier waarop een toepassing wordt ontworpen en ingevoerd, bepaalt mee of ze het werk echt ondersteunt of net de druk verhoogt”, zegt Yennef Vereycken, onderzoeker aan KU Leuven.
Privacy-paradox
Bovendien is het voor veel werknemers onduidelijk welke persoonsgegevens verzameld worden en wat er met deze gegevens gebeurt. Slechts 30% geeft aan de eigen gegevens te kunnen raadplegen en slechts 25% weet wat de werkgever met de verzamelde data doet. Toch gelooft 90% van de werknemers dat hun privacy gerespecteerd wordt. De onderzoekers spreken daarom van een "privacy-paradox": werknemers hebben weinig zicht op welke data worden wordt verzameld en gebruikt, maar hebben tegelijk veel vertrouwen in de manier waarop daarmee wordt omgegaan.
Verschillen tussen werknemers
De resultaten zijn niet voor alle werknemers gelijk. Hoger opgeleiden, bedienden en kaderleden ervaren technologie vaker als ondersteunend. Ze zijn ook meer op de hoogte van wat er met hun data gebeurt. Lager opgeleiden en arbeiders rapporteren vaker meer werkdruk, meer stress en een grotere complexiteit van het werk. Over deze groepen worden ook meer persoonsgegevens verzameld en zij zijn minder goed geïnformeerd over hun rechten.
“De technologische transitie heeft geen gelijke gevolgen voor iedereen. Werknemers die al een sterkere positie hebben, lijken meer de voordelen van technologie te ervaren, terwijl andere groepen vaker met de extra werkdruk en complexiteit worden geconfronteerd. Dat verschil verdient evenveel aandacht als de technologie zelf”, zegt Valeria Pulignano, professor sociologie aan KU Leuven.
Er bestaat bovendien weinig democratische controle over deze veranderingen. Ongeveer 70% van de werknemers geven aan dat zij nooit of zelden betrokken worden bij de planning en implementatie van nieuwe technologieën. Opvallend is dat werknemers die wel betrokken worden, systematisch minder werkdruk en stress rapporteren. Volgens de onderzoekers suggereert dit dat technologie niet alleen een technische, maar ook een democratische uitdaging vormt.
Voor ACV-CSC METEA, dat het onderzoek mee mogelijk maakte, bevestigen de resultaten dat de invoering van technologie op de werkvloer deel moet uitmaken van het sociaal overleg.
“Nieuwe technologie verandert heel concreet hoe werknemers hun job uitvoeren. Werknemers en hun vertegenwoordigers moeten van bij het begin van het proces betrokken worden. We willen vroeger rond de tafel zitten, zodat ook opleiding, werkbaarheid en de gevolgen voor jobs van bij de start worden meegenomen”, zegt Lieve De Preter, Voorzitter van ACV-CSC METEA.
Jobverlies door technologie?
Opvallend is nog dat de bevraagde werknemers in het onderzoek geen massaal verlies van jobs verwachten door de opkomst van nieuwe technologie en artificiële intelligentie. 40% denkt wel dat er een daling van het aantal jobs zal komen, maar eveneens 40% verwacht geen verandering of zelfs een stijging.
|
Methodologie
De onderzoekers nodigden 80.000 leden van ACV-CSC METEA uit om deel te nemen aan de survey. Meer dan 2.800 werknemers vulden de vragenlijst in. De samenwerking met de vakbonden maakte het mogelijk een grote en diverse groep werknemers uit twee sterk gesyndicaliseerde sectoren (meer dan 60% syndicalisatiegraad) te bereiken, wat bijdraagt aan een zo representatief mogelijk beeld van het werknemersperspectief. De rol van de vakbonden beperkte zich tot de verspreiding van de enquête. De vragenlijst, analyses, interpretatie van de resultaten en conclusies werden volledig onafhankelijk uitgevoerd door de onderzoekers van de KU Leuven.
Dit onderzoek wordt gefinancierd door de KU Leuven (BOF-C14/22/035) en werd goedgekeurd door de Sociaal-Maatschappelijke Ethische Commissie (G-2023-6240-R4(AMD)).
Meer informatie over het onderzoek: https://research.kuleuven.be/portal/en/project/3H220290.
|
