Moeten we ons zorgen maken over het 'right to challenge'?

De Vlaamse regering wil het lokale bestuursniveau aan de slag laten gaan met een right to challenge. Dat geeft burgers of organisaties het recht om een lokaal bestuur uit te dagen en zo een taak van dat bestuur over te nemen. Wordt zo de deur naar de privatisering wagenwijd opengezet?

 

Of valt het allemaal wel mee en wordt er met deze beslissing slechts meegesurft op de golven van het modieuze begrip ‘burgerparticipatie’? We leggen het voor aan professor Filip De Rynck, hoogleraar bestuurskunde aan Universiteit Gent.

“Right to challenge is geen vastomlijnd begrip. De oorsprong ervan ligt in het Verenigd Koninkrijk waar enige tijd geleden in de local government act, vergelijkbaar met ons Decreet Lokaal Bestuur, werd vastgelegd dat burgers het recht hebben om lokale dienstverlening uit te voeren. Dit recht paste in het ideologische klimaat van privatiseringen, kleinere overheid en besparingen. Onder Thatcher werd al snoeihard bespaard bij de lokale besturen met alle gevolgen van dien. De daaropvolgende Labourregeringen van Blair en Brown namen die agenda gewoon over. Een aantal jaren geleden kreeg dat recht ook een wettelijke basis in Nederland. Ook daar werd die neoliberale agenda van besparingen en decentralisatie uitgevoerd. Ondertussen heeft die gedachte zich in Vlaanderen verspreid en werd het opgenomen in de regeerverklaring.”

Liet Vlaanderen zich inspireren door successen in het VK en Nederland?

“Het succes van right to challenge, zowel in het VK als in Nederland, is zeer beperkt. Om niet te zeggen: bijna onbestaande. Het is niet zo dat overal groepen burgers staan te trappelen om bijvoorbeeld een bibliotheek over te nemen. Maar gaandeweg kreeg het begrip een verruiming. Waar het oorspronkelijk ging over het overnemen van bestaande publieke diensten, gaat het nu ook over het ondersteunen van allerlei vormen van burgerinitiatief. Vandaar dat er nogal wat verwarring rond het begrip is. Als bijvoorbeeld een groep burgers een stukje braakliggend land in hun buurt wil beheren, dan valt dat ook onder right to challenge. Of het gaat om diensten waarin het lokaal bestuur niet voorziet of niet in actief is, of waar ze het geld niet voor hebben. Dat is natuurlijk een heel andere invulling met een positieve boodschap die een meerwaarde voor de gemeenschap kan opleveren. Deze vorm kent nu ook in Vlaanderen een brede verspreiding. Het aantal initiatieven onder de noemer ‘burgerbudget’ of ‘burgerinitiatief’ zijn al niet meer te tellen.”

Toch blijft er ongerustheid rond toenemende privatisering.

“Ik verdenk de initiatiefnemer in Vlaanderen, Bart Somers er nu niet van dat hij hier een grote liberale agenda achter wil zetten. Sowieso is zich afvragen wat een overheid wel of niet moet doen altijd zinvol, dat is op zich geen neoliberaal gedachtegoed. Met een samenwerking tussen een stadbestuur en een buurtcomité voor een buurtpark is niets mis. Maar stel nu dat je bij de oorspronkelijke betekenis van het right to challenge wil blijven. In Vlaanderen is het als burger niet zo evident om publieke taken over te nemen. Zonder dat we het misschien beseffen, doet het middenveld in ons land heel wat taken die in de meeste landen door de overheid, door de privésector of helemaal niet worden gedaan. Denk aan de mutualiteiten en de vakbonden, het katholiek onderwijs is ook een vorm van right to challenge. Er zijn veel culturele organisaties betrokken in het medebeheer van cultuurcentra. En sportorganisaties in het beheer van sportcentra. Wij zijn het in Vlaanderen gewoon dat gemeentebesturen burgerinitiatieven subsidiëren of ermee samenwerken. In het VK heb je een veel minder rijk middenveld. Ook in Nederland werden de taken van het middenveld inmiddels grotendeels geprivatiseerd of gecommercialiseerd. In die zin verschilt de situatie in Vlaanderen fundamenteel.”

Hoe waakzaam moeten vakbonden blijven?

“Dat moeten ze altijd zijn, het is hun taak. Toch hoeven vakbonden zich niet direct zorgen te maken dat het right to challenge een bedreiging zou opleveren voor het personeel van de lokale overheden. Maar als je het breder bekijkt, kun je dat recht ook beschouwen als een druk op de openbare dienstverlening naar meer privatisering en meer privaat-publieke samenwerkingen. Denk aan het decreet dat de wzc’s de mogelijkheid biedt om voor het beheer van hun gebouwen samen te werken met een privépartner. De privatisering van de woonzorg is volop bezig, daar maakt de vakbond zich terecht zorgen over. Maar dit heeft niets te maken met het right to challenge. Ik denk dat er niet veel groepen zitten te wachten om het beheer van sportcentra of bibliotheken over te nemen en zelf te betalen. Dat zie ik niet zo gauw gebeuren.”

Zeg nooit ‘nooit’?

“Een extra drempel is de juridische component. Stel nu dat openbare diensten worden uitbesteed, dan is de vraag hoe het zit met de aansprakelijkheid. Een andere juridische vraag is: kan een openbaar bestuur zomaar haar diensten overdragen aan een groep burgers zonder openbare aanbesteding? Ik denk dat besturen daarvoor zullen terugschrikken. Het zou namelijk betekenen dat in principe iedereen daarop kan intekenen, ook privéfirma’s. In theorie zou dan niet een groep burgers, maar een privébedrijf een bepaalde dienst overnemen. Wat misschien niet de bedoeling is van het bestuur maar wel een gevolg kan zijn. Je merkt dat er tussen het enthousiasme rond het project en de praktische realiseerbaarheid heel wat vragen oprijzen. Er moet dan ook niet al te veel ongerustheid ontstaan over mogelijke gevaren van het uitdagingsrecht.”

 

ACV Openbare Diensten ziet liever een kader om samen te werken dan een right to challenge

Openbare diensten moeten ten dienste staan van de burgers. Dialoog en samenwerking met burgers of burgergroeperingen kunnen daarbij soms helpen. En natuurlijk hebben verkozenen zelf ook een verantwoordelijkheid. ‘De burger’ mag niet misbruikt worden om een bepaalde politieke agenda – die van minder overheid – door te drukken. Intussen weten we ook weer dat subsidies aan vzw’s een goede opvolging vereisen en dat commerciële parasitering op de loer ligt. Denk maar aan wat we zien in de zorgsector, waar commerciële vastgoedspelers geld bedoeld voor zorg kanaliseren naar aandeelhouders. Dus hoe goed bedoeld ook, burgerparticipatie verdient een stevig wettelijk kader. Daarbij moet commercialisering direct en indirect worden uitgesloten. Ook het tewerkstellen van personeel buiten het lokaal bestuur om kan niet. Dat leidt tot oneerlijke concurrentie.

Personalization

Je webbrowser is verouderd en wordt niet ondersteund door de ACV-website. Klik hier om een nieuwere versie te installeren.