Rellen in BXL

De confrontatie tussen Michel Goovaerts, korpschef van politiezone Brussel hoofdstad Elsene, en Fouad Ahidar van sp.a over de rellen in Brussel.

De aanleiding voor het gesprek tussen de korpschef van de politiezone Brussel hoofdstad Elsene Michel Goovaerts en eerste ondervoorzitter van het Brussels Parlement en sp.a-lid lid Fouad Ahidar waren de rellen afgelopen  november in Brussel. Een regelrechte confrontatie werd het niet: beide heren spraken vooral over het voorkomen van dergelijke incidenten. En over het imago van de stad, de politie en de jongeren.

“IETS WAT BRUSSEL achtervolgt zijn de no go-zones. Die bestaan niet.” Michel Goovaerts is stellig. “Er zijn wel bepaalde wijken waar het moeilijker werken is. Maar binnen de  12 uur na een incident wordt daar extra ge­patrouilleerd.” Fouad Ahidar: “In het rapport van comité P lees je inderdaad nergens dat bepaalde buurten gemeden worden. Maar je leest wel dat agenten bang zijn om te gaan. Ik heb nog meegemaakt dat patrouilles in Molenbeek in de val werden gelokt en bij aankomst bekogeld met molotovcocktails.” Een veel gehoorde klacht bij allochtone jongeren is dat er te veel identiteitscontroles zijn.

MICHEL GOOVAERTS: “In de jaren 80 was een systematische controle inderdaad schering en inslag. We werken nauw samen met het comité P. Klachten over die systematische pestcontroles krijg ik toch niet meer.”

FOUAD AHIDAR: “In 1991 heb ik nog betoogd met een badge ‘Déjà contrôlé/Reeds gecon­troleerd’. Er zijn problemen met sommige agenten, net zo goed als met bepaalde jonge­ren. In Brussel gebeuren fantastische dingen, maar we hebben nu eenmaal net als elke grote stad problemen. Sommigen proberen die te vergroten, anderen te minimaliseren. Wij willen gewoon de feiten aanpakken. Als te horen: je brengt het discours van Vlaams Belang. Maar dat bedoel ik: we moeten niet minimaliseren. Op een bepaald moment vraagt mijn zoon: ‘Papa, zijn wij ook  Marokkanen?’ (Fouad is getrouwd met een Vlaamse en heeft 5 kinderen ‘en ze zijn al­lemaal blond!’). Ik zeg dat we én Marokkaan én Belg zijn. ‘Elke keer als ik lastiggevallen word, is dat door Marokkanen’, zegt hij. Dat doet toch pijn om dat te horen? Dat heeft niets met afkomst te maken, maar met slecht opgevoede kinderen. Dat moet je aanpakken, niet de Marokkanen an sich.”

Moet de politie niet meer deel uitmaken van het sociale weefsel in een wijk?

MICHEL GOOVAERTS: “Vroeger kende iedereen de lokale champetter. Het probleem is dat we onvoldoende mensen uit Brussel zelf hebben. We pleiten voor het rekruteren van agenten, want die zetten snel de stap naar inspecteur. Binnen de agentengroep werven we meer Brusselaars aan, ook veel nieuwe Belgen. Dat is een goede zaak. En Fouad, je moet daar eer­lijk in zijn: die mensen hebben het niet altijd gemakkelijk. Die hebben toch wel moed om die stap naar een job bij de politie te zetten.”

FOUAD AHIDAR: “Ja, maar ook dat is veranderd. Wanneer nieuwe Belgen zien dat een van hen ook bij de politie zit, zijn ze best wel content. Die mix stelt gerust, een weerspiegeling van de maatschappij is goed. Ik begrijp niet waarom de doorstroming niet goed draait, er zijn toch voldoende kandidaten?”

MICHEL GOOVAERTS: “Het grote probleem bij  de wijkpolitie is de verloning. Mensen die  in ploegen draaien, verdienen meer ten  opzichte van een wijkinspecteur. Dat gaat toch over enkele honderden euro’s per maand. En een wijkinspecteurwerkt per definitie niet ’s nachts.”

Waarom niet‚ een wijk leeft ’s nachts toch ook?

MICHEL GOOVAERTS: “Een wijkinspecteur doet te veel administratief werk. Op dat vlak is hij nog altijd een veredelde facteurvan stads­bestuur en parket. We proberen hen met de verlaging van de terreurdreiging tijd te geven om in contact met de buurt te komen. Maar we gaan meer doen: het middenkader, de hoofdinspecteurs, heeft een enorm potenti­eel. Die kunnen de taakvan buurtregisseur op zich nemen. Zorgen dat er zaken hersteld worden in een wijk, een lamp, een ruit. Die broken window theorie bestaat al sinds de jaren tachtig. We moeten ook naar de  wijkcomités en de jeugdhuizen gaan.”

FOUAD AHIDAR: “Ik stel me alleen de vraag of de politie dat moet doen of de gemeente. Elke gemeente heeft stadswachters en buurt­werkers. We moeten daar ook de middelen voor hebben. Er zijn mensen nodig die zicht­baar zijn in de wijk. En die eens meevoetbal­len, langsgaan in het jeugdhuis, ’s avonds een praatje met jongeren slaan op straat. Je hoort politici alleen maar roepen over meer politie, maarwaar is dat geld voor preventie?”

MICHEL GOOVAERTS: “Ik moet dat onderschrij­ven. Wij zijn het sluitstuk. De politie komt als de rest gefaald heeft. En als je te weinig politiemensen hebt, zoals destijds in  Molenbeek, dan heb je een probleem. Je moet eerst noodhulp kunnen garanderen  aan de bevolking, dat gaat ten koste van  de wijkwerking. Een ander probleem is de  turnovervan de bevolking, in bepaalde wijken is die zeer groot. Daar is de bevolking na drie jaarvolledig gewijzigd. Dat vraagt een extra investering.”

Gaat er wel voldoende geld naar de buurten zelf? Anders blijf je maar politie sturen zonder problemen op te lossen.

FOUAD AHIDAR: “Het wordt tijd dat we een aantal zaken herbekijken. Op een bepaald moment moet je optreden en niet blijven zeggen: het komt door de armoede. Ik kom uit een gezin met acht broers en zussen. We waren echt arm. Maar we kregen wel waarden mee van thuis: we hebben nooit iemand bestolen of lastig­gevallen. Waarom zou je daartoe het recht hebben als je arm bent? Het heeft met opvoeding te maken, met de manier hoe we met elkaar omgaan. Maar net zoals er problemen zijn met sommige jongeren, zijn die er ook met sommige agenten. Die verrotten het voor het hele korps dat zijn werk goed doet maar kunnen gewoon in het korps blijven met weinig of geen straf. Misschien ligt de fout ook bij de jongeren omdat ze te weinig klachten indienen.”

MICHEL GOOVAERTS: “Toen ik in 2017 als korpschef aantrad, heb ik een opdrachtbrief geschreven. Als eerste punt stond een integer en eerlijk politiekorps. Dat is niet evident, integriteit en respect krijgen en geven is een werkvan lange adem.”

FOUAD AHIDAR: “Ik weet dat jij het gaat aanpakken, Michel, ik heb je in het parlement bezig gehoord en ikwas aangenaam verrast. Maar is de vakbond eigenlijk niet te sterk? Sorry dat ik mij dat hier zo openlijk in jullie magazine afvraag (hilariteit).”

MICHEL GOOVAERTS: “Dat denk ik niet, maar ik heb wel al harde gesprek­ken met de vakbond gevoerd. Dat het moeilijk is om respect te krijgen op straat, maar dat we het zelf wel altijd moeten tonen. Ik heb ook gezegd dat de rotte appels eruit moeten. En de vakbond is daar best flexibel in, hun visie daarover is ookveranderd. Het wordt binnen een korps steeds minder aanvaard als je je niet gedraagt.”

Je kan wel meer middelen in ordehandhaving zetten maar als je dat weghaalt bij buurt- en jongerenwerking dan is dat toch een straatje zonder einde?

FOUAD AHIDAR:“Dat zijn twee verschillende zaken. De politie moet haarwerk kunnen doen. In Molenbeek is er op elke hoek een jeugdhuis, jeugdbeweging of straathoekwerker. Dat kan je toch beter bijeenbrengen? Ik ben voorzittervan de commissie huisvesting. Daar kom ik tot de vaststelling dat er in dit gewest bijna 3.000 sociale woningen zijn met 4 of 5 slaapkamers. Mensen kregen die 20 jaar geleden toegewezen maar onder­tussen zijn hun kinderen het huis uit. Ondertussen hebben we die appartementen nodig om andere gezin­nen uit de wachtlijst in onder te brengen. Die wonen nu veel te krap en wat doen hun kinderen ’s avonds? Die lopen rond op straat. Ik wil zeggen: iedereen heeft een deel van de oplossing.

Het heeft ook te maken met onderlinge solidariteit. Middelen, dat is één zaak. Maar er is ook nog zoiets als vertrouwen in de jon­geren, in de buurt. Er kwam ooit een oudere vrouw in Molenbeek mij vertellen dat ze elke dag langs een groep jongeren moest passeren waar ze bang voorwas. Ik ben met die vrouw naar die groep gegaan, heb gezegd: ‘Dit is Jeannine en ze is bang van jullie.’Waarop die jongens zeiden dat het helemaal niet nodig is. Een tijdje later ga ik nog eens langs bij die groep en vraag waarom er een aantal uit wa­ren verdwenen. ‘Oh die werden gek. Jeannine vroeg voortdurend hoe het thuis ging en op school.’ (lacht) Dat soort kleine dingen kan een buurtregisseur perfect doen: mensen bijeenbrengen.

MICHEL GOOVAERTS: “Momenteel is er binnen de politie de discussie tussen hardliners die zeggen: ‘De mensen moeten weer schrik krij­gen van ons.’ Dat staat toch wel haaks op wat we in het verleden probeerden met ‘de politie is uwvriend’. Eerlijk gezegd heb ik geen behoefte om als politieman ieders vriend te worden. Maar die vijandigheid ten opzichte van ons hebben we ook niet nodig. Hoe denk jij Fouad dat we respect kunnen krijgen?”

FOUAD AHIDAR: “Jullie komen te weinig positief in het nieuws, dat imago moet je bij­stellen. Helaas is goed nieuws meestal geen nieuws. Langs de andere kant, wil je ver­trouwen wekken, dan mag je dat ook nooit schaden, ook niet ten opzichte van je eigen mensen. En gebruik als ministervan Binnen­landse Zaken gematigde woorden. De grote kuis doen, wat is dat nu voor taalgebruik? Hoe ga je zo een goede relatie opbouwen?”

Personalization

Je webbrowser is verouderd en wordt niet ondersteund door de ACV-website. Klik hier om een nieuwere versie te installeren.