Meer pensioengelijkheid voor iedereen


In De Standaard van 4 juli pleit Caroline Deiteren (UNIZO) voor meer pensioengelijkheid als remedie tegen de stijgende pensioenuitgaven. Ze verwijst naar het verschil in uitgaven tussen het stelsel van de werknemers en de ambtenaren. Een discussie over gelijkheid vertrekt evenwel van een correcte weergave van de realiteit.

De pensioenen in ons land zijn ongelijk verdeeld, dat klopt. Het gemiddelde bruto ambtenarenpensioen is in ons land inderdaad ongeveer dubbel zo hoog als het gemiddelde bruto werknemerspensioen. En dan spreken we nog niet over zelfstandigen. Die verschillen spreken tot de verbeelding. Ze zijn het resultaat van een verschillende pensioenformule, maar ook van verschillen in lonen en loopbanen. Tevens wordt buiten beschouwing gelaten dat 2/3e van de werknemers een aanvullend pensioen opbouwen. In de vergelijking tussen werknemers en ambtenaren moeten die natuurlijk worden meegenomen.

Het is dus beter om te kijken naar het volledig pensioen dat men verkrijgt na een volledige loopbaan van 45 jaar, met inbegrip van het aanvullend pensioen. De OESO heeft die oefening gemaakt in haar pensioenrapport van 2016. Daarbij stelt ze vast dat een volledig werknemerspensioen 48,1% van het loon bedraagt, een volledig werknemerspensioen mét aanvullend pensioen 59,9% en een volledig ambtenarenpensioen 75,0%. De verschillen tussen de stelsels worden zo al heel wat kleiner als die worden bekeken van uit het perspectief van een volledige loopbaan. 

Pensioenen worden ook belast, iets wat vaak uit het oog wordt verloren. Als de gemiddelde gepensioneerde ambtenaar zijn bankrekening checkt, zal die zien dat er maandelijks slechts 1890,32 euro op z’n rekening gestort wordt. Een gemiddelde werknemer ontvangt maandelijks 1267 euro. De betreurde professor Berghman becijferde tien jaar terug reeds dat werknemers met een aanvullend pensioen een hoger netto pensioen ontvangen dan ambtenaren. Helaas werd zijn studie sindsdien niet meer overgedaan. Professor Berghman stelde vast dat ambtenaren gemiddeld 1632 euro per maand ontvingen en werknemers met een aanvullend pensioen 1667 euro. Als we deze verhouding toepassen op de recente cijfers houdt een werknemer met een aanvullend pensioen 1930,86 euro per maand over, tegenover 1890,32 euro voor de ambtenaren. De reden dat werknemers met een aanvullend pensioen de hoogste pensioeninkomens hebben, heeft te maken de gunstige fiscale behandeling van de aanvullende pensioenen. Met een aanvullend pensioen betaalt een werknemer veel minder belastingen dan een ambtenaar. Vandaar ook dat meeste critici enkel bruto-inkomens vergelijken.

Het probleem is echter dat nog bijna een derde van de werknemers uitgesloten blijven van een aanvullende pensioenopbouw ten laste van de werkgever én dat de opbouw van aanvullende pensioenen erg ongelijk verloopt. De ongelijkheid in het werknemersstelsel is dan ook groot: het pensioeninkomen van de 20% werknemers met de laagste pensioenen is slechts 1/3e van het pensioeninkomen van de 20% werknemers met de hoogste pensioenen. Bij de ambtenaren bedraagt het verschil tussen hoog een laag slechts de helft. De fiscaliteit mildert er de ongelijkheid. 

De ongelijke pensioenopbouw is inderdaad hét probleem, maar vooral tussen de verschillende werknemerspensioenen.

Joris Lermytte, stafmedewerker pensioenen en lokale besturen bij ACV Openbare Diensten

Personalization