Hoe de loonnormwet de boel belazert

"De loonnormwet van de regering-Michel uit 2017 laat door kunstgrepen nauwelijks marge voor opslag. De wet legt een veel te strak kader op aan onderhandelaars in sectoren en bedrijven." Bron: De Loonkrant

Om de twee jaar onderhandelen werkgevers en de vakbonden over een interprofessioneel akkoord (IPA). Dat bepaalt de loon- en arbeidsvoorwaarden voor iedereen die in de privésector werkt. Een zeer belangrijk onderdeel van deze onderhandelingen zijn de afspraken over mogelijke loonopslag.

Maar met de berekening van de loonmarge is van alles mis. Door de politieke kunstgrepen van de regering Michel in de loonnormwet kunnen de lonen nauwelijks stijgen.

De productieve Belg

De loonnormwet berekent hoeveel een werkuur kost, maar niet hoeveel het opbrengt. Dat is in België nochtans gemiddeld meer dan in onze buurlanden. Want Belgen zijn zeer productieve werkers en zorgen per gewerkt uur dan ook voor veel opbrengst. De loonnormwet houdt hier echter geen rekening mee.

Belgen zijn ook steeds productiever gaan werken. Een faire verloning zou normaliter gelijke trend moeten houden met die  productiviteitsgroei. Sinds 1996 lopen de Belgische lonen echter 12% achter op de productiviteitsgroei.

Miljarden loonsubsidies niet in rekening gebracht

De loonwet houdt geen rekening met loonsubsidies die bedrijven van de overheid krijgen. Die waren in ons land in 2019 goed voor 8.4 miljard euro. Dat betekent dat de bedrijven dat bedrag aan loon in realiteit niet zelf moesten betalen. Maar daar mogen we in de onderhandelingen geen rekening mee houden.

De loonnormwet verbiedt ook om rekening te houden met de taks shift die de vorige regering doorvoerde. Door die taks shift daalde het officiële tarief van de werkgeversbijdrage aan de sociale zekerheid van 33% naar 25%. Dat leverde de bedrijven 2,8 miljard euro op die ze in eigen zak mochten steken. Volgens de regering Michel ging dat "jobs, jobs, jobs” opleveren. Wetenschappelijk onder- zoek toonde aan dat dat geld niet naar extra jobs ging, maar naar extra opbrengst voor de aandeelhouders.

Opleiding en innovatie

De loonnormwet legt de focus helemaal op loonmatiging. Het is duidelijk dat ons land die strijd echter nooit kan winnen van de lageloonlanden. Concurrentievermogen of een sterke economie gaat ook over veel meer. We moeten het hebben van het hoge scholingsniveau van werknemers. En innovatieve producten. In de loonnormwet zit een aanzet om werk te maken van meer opleiding, maar door het ontbreken van sancties blijft dit dode letter. Ook over investeringen onderzoek en ontwikkeling komt de loonnormwet niet verder dan wat vrijblijvende bepalingen.

Een veel te strak maatpak

De loonnormwet werd vanaf 2017 ook op andere punten strenger gemaakt: zo is vanaf 2017 de onderhandelingsmarge voortaan een maximum waar niet kan van worden afgeweken, op straffe van hogere boetes voor de bedrijven die dat wel zouden doen.

De 0,4% die men de werknemers nu wil doen slikken zou dus voor alle sectoren en bedrijven gelden, ook voor die sectoren en bedrijven die het zeer goed doen of herstellende zijn. Het klopt inderdaad dat corona veel bedrijven heeft getroffen, maar dat geldt niet voor alle bedrijven. Er zijn er die hoge winsten bleven maken.

Andere inkomens buiten schot

De loonnormwet legt aan het inkomen van loontrekkenden grote beperkingen op. In de wet is ook voorzien dat aan andere inkomens een gelijkwaardige inspanning kan gevraagd worden, het fameuze artikel 14. Het gaat dan bijvoorbeeld om inkomsten uit dividenden. Maar wet en praktijk liggen mijlenver uit elkaar. Sedert de invoering van de loonnormwet in 1996 is op geen enkel moment artikel 14 ingeroepen om onze economie te ondersteunen.

De politieke keuze is duidelijk: alleen de kleine man en vrouw moet op de tanden bijten. Wie veel geld heeft, daar wordt niets aan gevraagd.

 

Dit is een artikel uit De Loonkrant. Lees het ook in pdf.

Personalization

Je webbrowser is verouderd en wordt niet ondersteund door de ACV-website. Klik hier om een nieuwere versie te installeren.